• voor een vissers deur vissen (=vergeefse moeite doen) • vissers en jagers, zijn vrouwenplagers. (=vissers en jagers zijn vaak bij de vrouw weg) • aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal (=iedereen maakt wel eens een foutje) Naar de spreekwoorden
6 definities op Encyclo
• [beroep] iemand die beroepsmatig vist. •een dier dat zich voedt met vissen. •visserman •viseter
iemand die vist vb: er zaten tientallen vissers langs de ringvaart
1) Vogel 2) Schaatskampioen 3) Schrijver 4) Beroep 5) Schrijver van detectives 6) Nederlandse Schrijfster 7) Nederlandse ontdekkingsreiziger 8) Nederlandse fluitist 9) Nederlandse couturier 10) Friese dichter 11) Hengelaar 12) Oestervanger 13) Eerste kustbewoner 14) Sportvisser 15) Dier 16) Visserman
1> een vaartuig waarmee gevist wordt; een vissersschip of visserman. 2> bemanningslid of schipper op een schip waarmee gevist wordt. Ook een visserman genoemd. 3> midscheepse plank op een beplankt of houten dek. Meestal vissingstuk genoemd.
Een visser is een persoon die vissen probeert te vangen. [basiswoordenlijst groep 4]