thuishoren

werkw.
Uitspraak:  [ˈtœyshorə(n)]
Afbreekpatroon:  thuis·ho·ren
Vervoegingen:  hoorde thuis (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft thuisgehoord (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

ergens je eigen plek hebben
Voorbeeld:  `Ik hoor hier thuis.`
Welk woord hoort in dit rijtje niet thuis?  (welk woord past niet in dit rijtje?)


Synoniemen
behoren   horen   

1 definitie op Encyclo
  • 1) Behoren
Toon uitgebreidere definities

Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat is de verleden tijd van thuishoren?
De verleden tijd van thuishoren is 'hoorde thuis'. Het voltooid deelwoord is 'heeft thuisgehoord'.
Wat betekent thuishoren?
'ergens je eigen plek hebben'
Hoe spel je thuishoren?
thuishoren spel je T H U I S H O R E N
Wat is een ander woord voor thuishoren?
Andere woorden voor thuishoren zijn behoren en horen.

Op andere websites
Zoek thuishoren in het Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek thuishoren op Google
Zoek thuishoren op Woordenlijst.org
Zoek thuishoren in de woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek thuishoren op Wikipedia