monogaam
bijv.naamw.
| Uitspraak: | [mono'xam] |
| Afbreekpatroon: | mo·no·gaam |
(van een relatie tussen twee levende wezens) als je niet meer dan één (seks)partner hebt | Voorbeelden: | `het monogame huwelijk`, `Zebravinken onderhouden monogame relaties.` | |
| Antoniem: | polygaam |
7 definities op Encyclo
- 1) Trouw 2) Met één persoon samenlevend 3) Een partner huwend 4) Met één partner samenlevend 5) Enkelvoudig huwend
- enkelvoudig huwend (van mens) of samenlevend (van dier) Jaar van herkomst: 1912 (Aanv WNT )
- Iemand is monogaam wanneer hij of zij een relatie heeft met één persoon tegelijk. Monogaam wordt ook wel 'trouw' genoemd. Monogaam wordt gezien als trouw blijven aan één partner, getrouwd zijn met slechts één partner en een seksuele relatie hebben met één partner. Het tegenovergestelde van monogaam is...
- Individu met één partner (i.t.t. polygaam)..
- met één partner samenlevend Voorbeeld: Sommige mensen hebben toch wel moeite om monogaam te blijven.
Toon uitgebreidere definitiesHerkomst volgens etymologiebank.nl
monogaam (enkelvoudig huwend van mens of samenlevend van dier)Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat betekent monogaam?
'(van een relatie tussen twee levende wezens) als je niet meer dan één (seks)partner hebt'
Hoe spel je monogaam?
monogaam spel je M O N O G A A M Op andere websites
Zoek monogaam in het
Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek monogaam op
Google
Zoek monogaam op
Woordenlijst.org
Zoek monogaam in de woordenboeken van het
Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek monogaam op
Wikipedia