I het huishouden

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [ˈhœyshɑudə(n)]
Afbreekpatroon:  huis·hou·den
Verbuigingen:  huishoudens (meerv.)

1) groep personen die samenwonen
Voorbeelden:  `Ruim 2 miljoen huishoudens in Nederland hebben digitale televisie.`,
`eenpersoonshuishouden`
Synoniemen:  gezin, huishouding

2) werk om je huis opgeruimd en schoon te houden
Voorbeeld:  `het huishouden doen`


II huishouden

werkw.Toon alle vervoegingen
Uitspraak:  [ˈhœyshɑudə(n)]
Afbreekpatroon:  huis·hou·den

1) met veel lawaai schade veroorzaken
Vervoegingen:  hield huis (verl.tijd enkelv.) heeft huisgehouden (volt.deelw.)
Voorbeeld:  `De storm heeft vannacht flink huisgehouden. Er zijn veel huizen beschadigd.`
Synoniem:  tekeergaan

2) huis en kleren schoon en netjes houden en voor het eten zorgen
Voorbeelden:  `Ik heb goed leren huishouden.`,
`Huishouden is niet wat ik graag doe.`


Synoniemen
bende   gezin   huishoudelijk werk   huishouding   huisraad   tekeergaan   

Spreekwoorden en zegswijzen
huishouden van Kea (=een rommelig huishouden)
• het huishouden van Jan Steen (=een slordige boel)
• er behoort meer tot een huishouden dan het zoutvat. (=er zijn veel bijkomende kosten)
Naar de spreekwoorden

15 definities op Encyclo
  • •"pejoratief": een grote rommel of vernietiging achterlaten •een familie die een samenwonende economische eenheid vormt.
  • al het werk dat in huis gedaan moet worden vb: zijn vrouw zorgt voor het huishouden Synoniem: huishouding bewoners van een huis, gezin vb: het is een rommelig huishouden bij die studenten een huishouden van Jan Steen [een rommelige, ongeorganiseerde boel]
  • Def.: aanduiding voor in vast verband samenlevende partners, eventueel met (hun) kinderen.
  • 1) Huisraad 2) Regeling van de dagelijkse zaken in huis 3) Bende 4) Menagerie 5) Menage 6) Economische eenheid 7) Gezin 8) Tekeergaan 9) Huisgezin 10) Huishoudelijk werk 11) Huishouding 12) Familie
  • Een 'huishouden' is zowel een economische eenheid (zoals een gezin of woongemeenschap) als de organisatie van de bijbehorende werkzaamheden om in de voeding, kleding en het onderdak van dat huishouden te voorzien. Iemand die veel werkt in het eigen huishouden wordt wel een huisvrouw of huisman genoemd.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met huishouden:
huishoudentoeslag

Deze woorden eindigen op huishouden:
tweepersoonshuishoudensolohuishoudeneenpersoonshuishouden

Herkomst volgens etymologiebank.nl
huishouden (het besturen van het huis)

Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Is het 'de huishouden' of 'het huishouden'?
Het is 'het huishouden', want huishouden is onzijdig. Als je het aanwijst is het 'dat huishouden'.
Wat is het meervoud van huishouden?
Het meervoud van huishouden is 'huishoudens'. Eén huishouden, twee huishoudens.
Wat betekent huishouden?
'groep personen die samenwonen' en 'werk om je huis opgeruimd en schoon te houden'
Hoe spel je huishouden?
huishouden spel je H U I S H O U D E N
Wat is een ander woord voor huishouden?
Andere woorden voor huishouden zijn bende, gezin, huishoudelijk werk, huishouding, huisraad en tekeergaan.

Op andere websites
Zoek huishouden in het Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek huishouden op Google
Zoek huishouden op Woordenlijst.org
Zoek huishouden in de woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek huishouden op Wikipedia