bespringen

werkw.
Uitspraak:  [bə'sprɪŋə(n)]
Afbreekpatroon:  be·sprin·gen
Vervoegingen:  besprong (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft besprongen (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) springen op (iemand of iets)
Voorbeeld:  `een prooi bespringen`

2) (iemand) vastgrijpen om seks te hebben
Voorbeelden:  `De stier bespringt een koe.`,
`Hij werd besprongen door dronken vrouwen.`


Synoniemen
dekken   

2 definities op Encyclo
  • 1.zich met een sprong werpen op, onverhoeds aanvallen Voorbeeld: ‘Dreigend soms heffen de baren in de hoogte en giert het zeerot, alsof het monster weer wilde bespringen en inslikken 't geen het in een aanvlaag van stormwoede, eens heeft uitgespogen’
  • 1) Onverhoeds aanvallen 2) Aanvallen 3) Rammelen 4) Treden 5) Laten dekken 6) Dekken
Toon uitgebreidere definities

Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat is de verleden tijd van bespringen?
De verleden tijd van bespringen is 'besprong'. Het voltooid deelwoord is 'heeft besprongen'.
Wat betekent bespringen?
'springen op (iemand of iets)' en '(iemand) vastgrijpen om seks te hebben'
Hoe spel je bespringen?
bespringen spel je B E S P R I N G E N
Wat is een ander woord voor bespringen?
Een ander woord bespringen is dekken.

Op andere websites
Zoek bespringen op Woordenlijst.org
Zoek bespringen op Google
Zoek bespringen op Wikipedia