belopen

werkw.
Uitspraak:  [bəˈlopə(n)]
Afbreekpatroon:  be·lo·pen
Vervoegingen:  beliep (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft belopen (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) te voet afleggen
Voorbeeld:  `Ik kan die afstand niet belopen.`
van het belopen pad afwijken  (iets nieuws doen)

2) zoveel kosten
Voorbeeld:  `de schade beloopt honderden euro´s`
Synoniem:  bedragen

Zie ook:  beloop


Synoniemen
afleggen   bedragen   begaan   betreden   bewandelen   

4 definities op Encyclo
  • 1) Bewandelen 2) Betreden 3) Bedragen 4) Begaan 5) Maken 6) Afleggen 7) Uitmaken 8) Aanlopen 9) Te voet afleggen 10) Incurreren
  • 1> HET KUNNEN BELOPEN: er in een rechte lijn naartoe kunnen varen. Gerelateerde term: bezeilen. 2> sneller varen dan de voorganger. Zie ook oplopen. Bijvoorbeeld in: iemand belopen. In die zin eigenlijk ook: door een bui belopen worden: een bui niet voor kunnen blijven of niet kunnen ontzeilen.
  • bedragen
  • verzorgen, voorzien in.
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
belopen

Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat is de verleden tijd van belopen?
De verleden tijd van belopen is 'beliep'. Het voltooid deelwoord is 'heeft belopen'.
Wat betekent belopen?
'te voet afleggen' en 'zoveel kosten'
Hoe spel je belopen?
belopen spel je B E L O P E N
Wat is een ander woord voor belopen?
Andere woorden voor belopen zijn afleggen, bedragen, begaan, betreden en bewandelen.

Op andere websites
Zoek belopen in het Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek belopen op Google
Zoek belopen op Woordenlijst.org
Zoek belopen in de woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek belopen op Wikipedia