55 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `legge`
- aan alle kapelletjes aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
- aan banden leggen (=de vrijheid beperken)
- aan de dag leggen (=vertonen)
- ad acta leggen (=als afgedaan beschouwen) (Latijn)
- bij elk heilig huisje aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
- botje bij botje leggen (=samen geld bijeen leggen om te betalen)
- de bijl aan de wortel leggen (=het kwaad in de oorsprong trachten uit te roeien)
- de hand op iets leggen (=ergens aan kunnen komen)
- de kaart leggen (=de toekomst voorspellen)
- de laatste hand aan iets leggen (=iets afmaken/voltooien)
- de lat hoog leggen (=moeilijk haalbare doelen stellen)
- de oude Adam afleggen. (=slechte gewoonten of gedrag achterlaten om positieve veranderingen aan te brengen.)
- de oude mens afleggen (=(en de nieuwe aantrekken) een nieuw leven beginnen - beterschap beloven)
- de sleutel op de doodskist leggen (=een erfenis weigeren)
- de vinger op de wond leggen (=precies aangeven waar het probleem zit)
- de zweep erop leggen (=afdrijven, opjagen)
- een bodem in de markt leggen (=een minimumprijs vastleggen)
- een goede dam leggen. (=goed eten (voor het drinken van alcohol))
- een kale kip kan nog leggen (=iemand die niets heeft, kan nog voor je werken)
- een knoop in zijn zakdoek leggen (=iets doen om ergens zeker aan herinnerd te worden)
- een pleister op de wonde leggen (=iets troostends aanbieden)
- een stok in de lenden leggen (=slaan)
- er een loodje op leggen (=er iets aan toevoegen)
- er een vouwtje bij leggen (=niet meer over spreken)
- geen strobreed in de weg leggen (=in geen enkel opzicht hinderen)
- gewicht in de schaal leggen (=een wezenlijk deel bijdragen)
- het bijltje erbij neerleggen (=ermee stoppen)
- het hoofd in de schoot leggen (=opgeven en er in berusten)
- het is moeilijk de oude mens af te leggen. (=gewoonten zijn moeilijk af te leren)
- het loodje (erbij neer)leggen (=overlijden)
- het masker afdoen/afleggen/afnemen (=zijn ware gezicht tonen)
- hutje bij mutje leggen (=ieder draagt bij voor het deel dat die kan)
- iemand de ijzers aanleggen (=iemand boeien of onder grote druk zetten)
- iemand geen haarbreed in de weg leggen (=iemand op geen enkele manier ergens mee hinderen of tegenhouden)
- iemand geen strobreed in de weg leggen (=niets doen om iemand tegen te houden of te belemmeren)
- iemand geen vingerbreed in de weg leggen (=iemand niets in de weg leggen , absoluut niet hinderen)
- iemand het vuur na aan de schenen leggen (=iemand onder druk zetten)
- iemand het zwijgen opleggen (=er met niemand over mogen praten en niemand iets mogen vertellen)
- iemand in de luren leggen (=iemand bedriegen of misbruiken)
- iemand op de pijnbank leggen (=iemand het moeilijk maken en daarmee dwingen iets te doen)
- iets aan banden leggen (=ervoor zorgen dat iets zich niet verder kan uitbreiden)
- iets op een procrustesbed leggen (=een regeling zo toepassen dat hij er voordeel van heeft)
- in de as leggen (=(doen) afbranden)
- in de luren leggen (=beetnemen)
- in de watten leggen (=uitzonderlijk goed verzorgen)
- in mei leggen alle vogels een ei (=weerspreuk: aanduiding dat in mei het broedseizoen begint)
- je boontjes op iets te week leggen (=stellig op iets rekenen)
- je hoofd in de schoot leggen (=het opgeven)
- je kaarten op tafel leggen (=laten weten over welke middelen je beschikt om iets gedaan te krijgen)
- je met de borst op iets toeleggen (=iets erg vlijtig beoefenen)
15 betekenissen bevatten `legge`
- in het vat gieten (=aanleggen)
- paal en perk stellen (=de grens leggen / een einde stellen aan)
- de plooien glad strijken (=de ruzie bijleggen)
- een beerput opentrekken (=een geheim onthullen of schandalen blootleggen.)
- een bodem in de markt leggen (=een minimumprijs vastleggen)
- ruggespraak houden (=eerst ergens over moeten overleggen)
- een gladde tong hebben (=goed kunnen praten, het goed kunnen uitleggen)
- iemand geen vingerbreed in de weg leggen (=iemand niets in de weg leggen , absoluut niet hinderen)
- iets uit de doeken doen (=iets uitleggen)
- de koppen bij elkaar steken (=overleggen)
- botje bij botje leggen (=samen geld bijeen leggen om te betalen)
- een ridder van het lui paard zijn (=steeds smoesjes verzinnen en de schuld buiten jezelf leggen)
- tekst en uitleg geven (=verantwoording afleggen)
- de wet stellen (=zijn wil opleggen)
- in der minne schikken (=zonder verder geruzie bijleggen)
49 dialectgezegden bevatten `legge`
- aste zen eege kons verkope, legge d' aander dich vanzelf én de boëveste loj (=alleen een piepend wiel krijgt olie) (Bilzers)
- Daa meutte aa boojne ni oep te waak legge (=Daar moet je niet op hopen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- daaj ès nog te lee vër zich daol te lèggë (=ze is nog te lui om te gaan liggen) (Munsterbilzen - Minsters)
- Dau geunnik maan bjeuntjes oep te waak legge (=Daar verwacht ik veel van / vestig ik mijn hoop op) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- de haoën kan zoe hel kraeë as ter wilt, ët zin toch de hinne daaj de eer lègge (=de man mag zeggen wat hij wil, maar de vrouw beslist) (Munsterbilzen - Minsters)
- de moes nie op ielke slek zaat wille lègge (=je moet niet overal commentaar op geven) (Munsterbilzen - Minsters)
- de moes zën baune nie zoe rap te weeke lègge (=je moet niet te snel tevreden zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- de moes zën eër nie ammël èn dezelfste körf lègge (=je moet het risico altijd wat verdelen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de moes zër eër nie ammël èn dezelfste körf lègge (=nooit op één paard wedden !) (Munsterbilzen - Minsters)
- Die krokusse lawe legge hoeffie niks an te doen. (=Die krokussen laten we leggen hoeft hij niks aan te doen.) (Bollenstreeks)
- doë moet ich mich e tijdsje vër kroemp lègge (=daar moet ik een poosje voor werken) (Munsterbilzen - Minsters)
- e koesjke lègge (='n laagje verf aanbrengen) (Munsterbilzen - Minsters)
- ë koesjkë lègge (=een grondlaag zetten (verf)) (Munsterbilzen - Minsters)
- Hè je je harses op 't besteebord laete legge (=Ben je gek geworden) (Hoeksche Waards)
- hee ze legge (=liggen de kinderen al op bed) (Lopiks)
- Het is een sleg houtje wa van legge brek (=Dat ding is niet goed / in orde) (Geldermalsens)
- ich gojn dich daodelëk ës iëver mene knie légge (=seffens krijg je een goede pandoering) (Munsterbilzen - Minsters)
- iemëd zwaur opte reistër lèggë (=iemand de duimschroeven aandraaien) (Munsterbilzen - Minsters)
- Iêver zene knie légge (=een rammeling geven) (Bilzers)
- ik gaat effe legge (=ik ga naar bed) (Rotterdams)
- Ik gaat legge voor Derp (=Ik ga naar bed) (Derps)
- Ik ging legge valle (=Ik viel) (Giessendams)
- ik ging toch legge valle (=ik viel) (Culemborgs)
- ik legge mi'j ter dale (=ik ga naar bed) (Sallands)
- ik zij gaon legge valle (=ik viel) (Brakels (gld))
- In mei legt elleke vogel een ei behalve de koekoek en de spriet die legge in de meimoand nie (=In mei legt elke vogel een ei) (Herentals)
- Je legge te vlook. (=Als de dobber bij het vissen nog niet rechtop staat.) (Zaans)
- kaokële ès geen kuns, eer lègge waol! (=makkelijker gezegd dan gedaan!) (Munsterbilzen - Minsters)
- kaokëlë ès geen kuns, mèr eer lègge waol (=het is makkelijker gezegd dan gedaan) (Munsterbilzen - Minsters)
- kaokële ès niks, mér eer lègge ès kuns (=het uitleggen is goed, maar het ook doen is andere koek) (Munsterbilzen - Minsters)
- Kaokële kan ielek, mér eer lègge nie (=de uitleg is mooi, nu nog doen!) (Munsterbilzen - Minsters)
- kaokële konne alle hinne, mér eër lègge ès nog ën aanderr zaok (=veel gescheer, maar weinig wol....) (Munsterbilzen - Minsters)
- Kaokëler kan iedereen, mér ën ee lègge ès aandre koek (=uitleggen is één, het doen is twee) (Munsterbilzen - Minsters)
- korties bij dichies legge / zitte (=dicht bij elkaar liggen / zitten) (Alblasserdams)
- lepelke - lepelke legge (=dicht tegen elkaar aanliggen (in bed) ) (Leewarders)
- mekaor nieso legge (=elkaar niet mogen) (Culemborgs)
- moetsj (=vèr auver te legge) (Dendermonds)
- op eine tuuwgewieze nüst, geit un hun neet lêgge (=iemand iets tot iets verplichten) (Opglabbeeks)
- pepersesies tusseden bottram legge (=boterham beleggen met salami) (Turnhouts)
- t leidsje ter bij légge (=doodgaan) (Bilzers)
- wae viël kaokëlt, moet ook eêr lègge (=wie alles beter weet, moet dat ook maar uitvoeren) (Munsterbilzen - Minsters)
- zaad op zene stat lègge (=vangen) (Munsterbilzen - Minsters)
- zen baune te weke légge (=er op rekenen) (Bilzers)
- zen baune trop te weeke lègge (=er op wedden) (Munsterbilzen - Minsters)
- zen eer nie allemaol èn dezelfde kürf legge (=geen risico nemen!) (Munsterbilzen - Minsters)
- zen koskes te weke lègge (=zich settelen) (Munsterbilzen - Minsters)
- zën koskës te wekë lèggë (=zich op tijd bijhouden waar wat te krijgen is) (Munsterbilzen - Minsters)
- zëne klene dreig lègge (=gaan plassen) (Munsterbilzen - Minsters)
- zënen kop èn zëne sjaut lègge (=triestig zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen